laatste update september 2012                                                  foto boven: zand 250 x vergroot

KENT NERBURN

Dit verhaal is geschreven door Kent Nerburn. Kent Nerburn heeft vele boeken op zijn naam staan. Recent is één van zijn meesterwerken verfilmd: Hond noch Wolf. In februari 2009 zocht Nico hem op in Bemiji Minnesota om met hem te spreken over zijn laatste drie boeken, die heel veel inzicht geven in de huidige wereld van de Amerikaanse Indianen. Desgevraagd gaf Kent toestemming aan Nico om te vertalen en op deze site te zetten: "Good to see you. I hope all is going well. Absolutely, feel free to do so, Nico. Use the version on my website, www.kentnerburn.com and the book: Make Me an Instrument of Your Peace.

klik hier voor een recent intervieuw met Kent over zijn manier van werken

een mooie les over geduld.

Een taxi chauffeur uit New York schreef:

Het zat er bijna op. Het zou mijn laatste rit van die dienst worden. Daarna kon ik af nokken. Ik kwam aan op het adres waar ik moest zijn en liet de claxon horen. Na een paar minuten toeterde ik nog maar eens omdat er niets gebeurde. Ik dacht er eigenlijk over om weg te rijden, maar in plaats daarvan, zette ik de auto in de parkeerstand, stapte uit, liep naar de deur en klopte aan. “Momentje,”reageerde een zwakke oude stem. Ik kon horen dat er iets over de vloer werd gesleept daarbinnen.

Na lange tijd ging  eindelijk de deur open en een klein vrouwtje van ergens in de negentig jaar oud, kwam tevoorschijn. Ze droeg een jurk met zo’n negentiennoach print erop en de hoed op haar hoofd had iets weg van een pillendoos  met een voile eraan gepind. Het was net alsof ze zo uit een film van rond de jaren ‘40 van de vorige eeuw gestapt was.
Naast haar stond een klein nylon koffertje. Het appartement zag eruit alsof er al jaren niemand meer had gewoond. Alle meubels waren afgedekt met lakens.
Er hingen geen klokken aan de muur, er stonden geen gebruiksartikelen en er was ook nergens prullaria te zien. In de hoek stond een kartonnen doos vol foto’s en glaswerk.
“Zou je mijn tas naar de auto willen dragen?” Zei ze. Ik bracht de koffer naar de taxi en ging toen terug om de vrouw te helpen.
Ze nam me bij de aangereikte arm en steunde erop toen we langzaam van de deur wegliepen.
Ze bleef me bedanken voor mijn vriendelijkheid. “Ach, het is niets,” vertelde ik haar, “Ik behandel mijn passagiers graag zoals ik denk dat ze mijn moeder zouden moeten behandelen.”
“Maar je bent toch een goede jongen”, zei ze. Toen we in de taxi zaten gaf ze mij het adres waar ze heen moest en vroeg vervolgens, “Zou je door het centrum van de stad kunnen rijden?”
“Da’s niet de kortste weg!” antwoordde ik snel.
“Oh, maar dat is erg hoor, antwoordde ze, “ik heb geen haast. We moeten naar een verzorgingstehuis voor bejaarden.”
Ik keek in mijn achteruitkijkspiegel. Haar ogen glinsterden. “Ik heb geen familie meer,” ging ze met zachte stem verder. “de dokter zei dat ik niet lang meer te leven heb.” Ik strekte mijn rechterarm rustig uit en zetten de meter af.
"Welke route zal ik voor u rijden?” vroeg ik.
Gedurende de volgende twee uur reed ik met haar door de stad. Ze liet me het gebouw zien waar ze ooit eens als lift bediende had gewerkt.
We reden door de buurt waar zij en haar man hadden gewoond toen ze pas getrouwd waren. Ze liet me stoppen bij een meubelpakhuis. Het gebouw was vroeger een danszaal geweest waar zij als meisje uitging om te dansen.
Af en toe vroeg ze me om langzamer te rijden bij een bepaald gebouw of ergens bij een kruising of een bocht, dan zat ze daar gewoon het donker in te staren en zei ze niets.
Toen het eerste licht van de zon over de horizon kroop, zei ze plotseling: “ik ben moe, laten we maar gaan.” We reden zonder een woord te zeggen naar het adres dat ze me had opgegeven. Het was een laag gebouw, zoals een herstellingsoord hoort te zijn, compleet met een oprit waar je met de auto onder het portiek verdwijnt en er aan de andere kant weer uitkomt.
Twee verplegers kwamen naar de taxi zodra ik was gestopt. Ze waren zorgzaam en voorkomend en hielden elke beweging van haar in de gaten. Het was duidelijk dat ze haar verwachtten.
Ik deed de kofferbak open en pakte de koffer eruit en liep ermee naar de deur. De vrouw zat al in een rolstoel.
“Hoeveel krijg je van me?” vroeg ze en ze pakte haar beurs.
“Niets.” zei ik.
“Jij moet toch ook je geld verdienen?” antwoordde ze.
“Er zijn meer passagiers.” reageerde ik en zonder er eigenlijk bij na te denken, boog ik voorover en gaf haar een knuffel. Ze hield me een tijdje stevig vast.
“Je hebt een oude vrouw een momentje van plezier gegund en gegeven jongen” zei ze, “Dank je wel.”
Ik kneep zachtjes in haar hand, draaide me om en liep de ochtendschemering in. Achter me hoorde ik een deur dicht gaan. Het was het geluid alsof er een leven werd afgesloten.
Ik heb die dienst geen passagiers meer opgepikt. Ik reed een beetje doelloos rond, verdwaald in gedachte. De rest van de dag heb ik nauwelijks gesproken. Wat had er gebeurd als die vrouw een chagrijnige chauffeur had gekregen of één die ongeduldig was en eigenlijk wilde afnokken. Wat als ik die rit niet aangenomen had, of slechts één keer getoeterd had en dan weer was weggereden?
Achteraf gezien geloof ik niet dat ik ooit in mijn leven iets voor een ander gedaan heb wat van groter belang was.
Velen van ons zijn gaan denken en geloven dat ons leven om de grote momenten draait.
Maar grootse momenten komen onverwachts, knap verpakt in iets dat anderen misschien niet eens de moeite waard vinden.